Artikel 24 van de Belgische Grondwet bepaalt dat het onderwijs vrij is. De reden daarvoor is simpel: net als de opvoeding, is de vorming van kinderen bij uitstek een zeer persoonlijke aangelegenheid, waarin de ouders best een zo groot mogelijke beslissingsvrijheid gegeven wordt om het onderwijs te kiezen dat het beste past bij het profiel van hun kind en hun filosofische, religieuze en pedagogische voorkeuren. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de vrijheid van onderwijs een basisrecht is dat in alle internationale mensenrechtenverdragen is opgenomen en ook in onze Grondwet een prominente plaats heeft gekregen. Vrijheid is immers de enige garantie op een gediversifieerd aanbod van onderwijs en daardoor dé waarborg die ervoor zorgt dat elk kind aan zijn trekken komt en zich ten volle kan ontplooien.
Vandaag denken we bij vrijheid van onderwijs vooral aan het grondrecht dat iedereen bezit om een eigen school op te richten en het recht op vrije schoolkeuze. De betekenis van dat basisrecht is nochtans veel ruimer. De vrijheid van onderwijs zorgt er in het ideale geval voor dat elke school zijn eigen opvoedingsproject kan opstellen, de eigen leermethodes kan bepalen, nadruk kan leggen op intellectuele vorming of stimuleren van de creativiteit van de leerling, bepaalt of het meer belang hecht aan wiskunde en wetenschappen of eerder aandacht schenkt aan taal of vooral technische vakken in zijn aanbod opneemt,… Eigenlijk hoort bij vrijheid van onderwijs ook het recht van de leraar om vanuit zijn deskundigheid te bepalen hoe hij zijn klas het best kan onderwijzen, zoals we in onze uitgangspunten benadrukken.
Vlaanderen heeft sinds jaar en dag een mooie staat van dienst als het op diversiteit van het onderwijsaanbod en de vrijheid van de school aankomt. De hoge algemene kwaliteit van ons onderwijs hebben we dan ook grotendeels daaraan te danken. Het Vlaamse onderwijslandschap bestaat vandaag uit een kluwen van staatsscholen, colleges van de Broeders van Liefde, Salesianen of Jezuïeten, instituten, steinerscholen, bisschoppelijke scholen, athenea, Freinetscholen en lycea van allerlei slag.
De grote verdienste van het Vlaamse onderwijs is ook altijd geweest dat de meeste scholen door de overheid werden gefinancierd. Op die manier werden de inschrijvingsgelden van die scholen laag gehouden en kon iedereen een plaats vinden die het best aan zijn noden beantwoordde.
Nu lijkt die heilzame visie op vrijheid van onderwijs echter steeds minder verbreid onder de onderwijsverantwoordelijken. In plaats van de vrijheid te laten aan de scholen die door de overheid worden gesubsidieerd, wordt het steeds meer de gewoonte om de scholen bijna te verplichten deze of gene leerstof te geven of hen met een bepaalde subsidiëringspolitiek aan te sporen een bepaalde methode te verkiezen boven een andere.
Het is onder het onderwijzend personeel algemeen geweten dat de onderwijsinspectie en het leerplanbeleid de middelen bij uitstek zijn van een overheid die haar visie op onderwijs wil doordrukken. Ook al staat in artikel 33 van het gemeenschapsdecreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs te lezen dat de inspectie niet bevoegd is voor de controle van de pedagogische methoden, komt dit in werkelijkheid maar al te vaak voor. Door in de leerplannen veel aandacht te schenken aan methodes, slaagt de overheid erin om haar greep op het onderwijs te verstrakken. De vraag is of de overheid grondwettelijk haar boekje niet te buiten gaat wanneer ze zich dermate inlaat met de wijze van lesgeven. Dat ze handelt in strijd met de bedoeling van de vrijheid van onderwijs, staat alvast buiten kijf.
Wij pleiten geenszins voor de afschaffing van de schoolinspectie. Kwaliteitscontrole is noodzakelijk en met overheidsgeld mag niet licht omgesprongen worden. Waar wij wel op willen wijzen, is dat de overheid de waarde van een divers onderwijsaanbod niet mag onderschatten en ze zich dus het best niet te veel bezig houdt met de details. Een loutere inhoudelijke controle, zoals die door de wet is voorgeschreven, maar in werkelijkheid weinig wordt toegepast, zou moeten volstaan.
Vaak wordt die handelswijze verantwoord door een bepaald sociaal ideaal, gelijke kansen bijvoorbeeld. Men gaat er dan van uit dat het overal invoeren van bepaalde methodes de sociale gelijkheid ten goede komt, of dat ons systeem ongelijkheid in de hand werkt. Niet zelden worden daar echter denkfouten gemaakt door de onderwijsverantwoordelijken. Geleerden wijzen er ook regelmatig op dat er maar al te vaak gebruik gemaakt wordt van bedenkelijke statistische methodes om het vooropgezette onderwijsbeleid te ondersteunen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat Finland, voor de beleidsmakers het gidsland bij uitstek, slechter scoort op vlak van sociale gelijkheid in het onderwijs dan Vlaanderen wanneer we de factor migratie wegnemen. Dat wil dus zeggen dat het feit dat Finland hoger scoort dan Vlaanderen op vlak van sociale gelijkheid, niet zomaar toe te schrijven is aan het onderwijssysteem (zie daarover Onderwijskrant nr. 157, p. 14). Om de weerslag van die vergissingen in te perken, pleiten wij er dan ook voor zoveel mogelijk autonomie te laten aan de scholen en de leraren.
Nu de overheid en de netten er alles aan doen om hun eigen (gedeelde) visie op onderwijs overal ingang te doen vinden, handelen ze niet alleen in strijd met de geest van de vrijheid van onderwijs, maar gaan ze ook nog eens onverstandig te werk. Een leerling komt immers pas tot zijn recht als hij de school vindt die het best past bij haar/zijn profiel. Daarvoor is diversiteit onontbeerlijk. Het is duidelijk dat de zucht het onderwijs gelijk te schakelen tot op het vlak van de methodes die noodzakelijke verscheidenheid in het aanbod alleen maar kan tegenwerken. Gelijke kansen bieden is niet hetzelfde als iedereen gelijk behandelen. Een gezond gelijkekansenbeleid biedt aan elk individu alle kansen om zich te ontplooien, maar niet iedereen is gebaat bij dezelfde aanpak. De ideale strategie om iedereen gelijke kansen te bieden is daarom de gesubsidieerde scholen de vrijheid te laten hun eigen beleid uit te stippelen, binnen een ruim gedefinieerd inhoudelijk kader.
Welbegrepen vrijheid van onderwijs, zoals we die hierboven toegelicht hebben, zal ook bijdragen aan de herwaardering van het lerarenberoep, waar beleidsmensen tegenwoordig de mond vol van hebben. Zoals we reeds aanstipten, houdt vrijheid van onderwijs immers ook in dat de leraar wordt beschouwd als de best geplaatste persoon om zijn klas in te schatten. Vanuit zijn kennis en ervaring kan hij dan bepalen hoe hij zijn leerlingen het best kan onderwijzen. Daar is hij ook voor opgeleid. Leraren worden echter steeds vaker gezien als loutere pionnen in het onderwijsbeleid en voelen zich daarom meer en meer miskend. In de politieke wereld circuleren voorstellen om het loon van het onderwijzend personeel te verhogen, maar misschien zijn er wel goedkopere en effectievere oplossingen voor de onderwaardering van het lerarenberoep. Wat meer vertrouwen in de professionaliteit van de leerkracht is wellicht al voldoende.
Degelijk Vlaams Onderwijs